?>Uw browser ondersteunt deze site niet, update alstublieft.

Blog

De Stad uit

Ik baal. En niet zo’n klein beetje ook. Van het parkeer- en vergunningenbeleid van de gemeente Zevenaar. Ja, noem het maar pure frustratie.
Beleid is prima, over betaald parkeren kun je natuurlijk blijven discussiëren, feit is dat de gemeenteraad hiervoor heeft gekozen. Klaar.
Maar het werkt alleen als de techniek achter het systeem werkt, handhavers geen blinddoek voor hebben en niet met twee maten meten.

Klein geld werkte voor mij niet, vandaar de keuze voor een Stadspas. Van het geschetste gebruikersgemak is niets terechtgekomen.
De techniek hapert, met name aan de Schievestraat is het schering en inslag. Elke keer bied ik mijn pas aan en meld ‘m af. Althans dat denk ik. Ondanks een piep komt de registratie regelmatig niet binnen. Dat heeft me al een keer een paar euro gekost en vorige week een bekeuring van zestig euro. De afmelding van de pas werd als aanmelding gezien, omdat de aanmelding niet geregistreerd was. Stadsparkeren noemt dit geen storing. Het is ‘eigen schuld, dikke bult’. Alle risico’ s voor een niet waterdicht systeem liggen dus bij de gebruiker. Dan denk je dat je alles gehad hebt, maar nee, hou je vast. Daar komt het. ‘Als u bezwaar maakt tegen de bekeuring, vraag dan of ze contact met ons willen opnemen, dan doen wij een goed woordje voor u en kunnen wij aangeven dat u altijd trouw uw Stadspas gebruikt.’ Net of ik zwakbegaafd ben en niet zelf op de printknop kan drukken voor mijn parkeerhistorie. Bloedgeld? Of commercieel belang? Ik laat het in het midden. Mijn vraag: wil je als gemeente Zevenaar met zo’n partij in zee?

Gelukkig zijn de twee controleurs van het eerste uur wél vervangen. Waarom een zzp’ er met een Hyundai i10 die zich altijd aan de regels houdt wél een bekeuring krijgt en de voorzitter van MKB Montferland met een dikke bak niet, terwijl hij midden op de Schoolstraat parkeert zonder te betalen, ik weet het niet.
Toon Albers, wethouder van verkeer, mag het me uitleggen. Kennelijk loont marchanderen.
Wel zou ik de nieuwe handhavers even langs een opticien sturen. Wanneer je een vergunninghouder aan de Oranjelaan een prent van negentig euro geeft, terwijl de vergunning strak tegen de voorruit zit geplakt, dan is er iets grondig mis met je gezichtsvermogen. Het overkwam mijn zus, een dag nadat ik de klos was.

Ik heb niet de illusie dat er van gemeentewege ook maar iets verandert aan hoe het nu werkt. Maar trek in nog meer onterechte boetes en frustratie heb ik niet. Daar word je geen aangenamer persoon van voor je omgeving. Ik heb de parkeergarage voldoende gesponsord. Daar kun je een hoop leuke dingen van doen.
Alles op de fiets doen zal niet gaan. Gelukkig leiden er meer wegen naar Rome.
Niet dat ik grootverdiener ben, maar de middenstand in Didam zal daar blij mee zijn.
Zin in Zevenaar?
De Stad in?
Nee, het wordt De Stad uit.
Eén troost. Het kan nog erger: een parkeerbon voor een rouwwagen.

Arm schaap

Acht procent van de mannen doet het met een dier, voor vrouwen ligt die drempel iets hoger: 3,6% lust er wel pap van en vat met regelmaat de koe bij de horens. Je zal het maar zijn, zoösexueel. Sophie Hilbrand portretteerde drie zoöfielen in het gelijknamige BNN-programma. Eentje was verliefd op een paard, twee mannen hadden hun hart verloren aan een hond. Geen keeshond trouwens. ‘Mam, waar gaat dit over?’, riep mijn dochter, voordat alle beelden goed en wel bij mij waren binnengekomen. Daar zat ik dan met een mond vol tanden en mijn goedbedoelde pedagogische praatjes over seksualiteit, intimiteit, moraal, wederzijds respect, gelijkwaardigheid en veiligheid. Het hoofdstuk hygiëne slaan we voor het gemak maar even over. ‘Walgelijk zeg, dat dat bestaat!‘ Gelukkig riep ze het. Mijn boodschappen zijn toch aangekomen. Ja, het bestaat. Het schijnt een seksuele voorkeur te zijn.

Bioloog Midas Dekkers nam het zelfs voor de dierenliefhebbers op. Plofkippen, stalkoeien en mestvarkens hebben in zijn ogen een zwaarder leven. ‘Als je wordt betrapt terwijl je een paard van achteren neemt, moet je de gevangenis in; als je 500.000 kippen onder barbaarse omstandigheden in een hok stopt, krijg je een grote zak subsidie.’
Toch is liefde tussen mens en dier volgens dezelfde Dekkers ‘een gigantisch misverstand’, zei hij in een eerder interview. Ik citeer: ‘Mensen zijn ter wereld gekomen met slechts het vermogen om van andere mensen te houden. Wat mensen wel kunnen, is in dieren, en zelfs in dingen, menselijke trekjes ontwaren en daar ontzettend veel van houden. Mensen houden niet van een hond, omdat hij kwijlt en stinkt en uitgelaten moet worden. Ze houden van het menselijke in een hond: dat ie je trouw aankijkt en het geluid van je auto herkent als je thuiskomt.’
Dat je er als volwassen vent lol in hebt je piemel in een merrie te steken, ik vind het inderdaad niet passen. Maar een graadje erger nog zijn de vrouwen bij wie die kerels daarna aankloppen voor hun gerief en dat eenrichtingsverkeer gewillig over zich heen laten komen. Lijkt me voer voor een schimmelinfectie.

Pedofilie, necrofilie, zoöfilie, dank je de koekoek. Misschien dat ik er nog een paar vergeet. Zou zomaar kunnen. Het is allemaal de ver-van-m’n-bed show. Als je door de winkelstraten loopt en om je heen kijkt, zou je het niet denken, maar sex staat hoog genoteerd in onze dagelijkse agenda. Volgens Maslow is seks een fundamentele lichamelijke behoefte, die in dezelfde orde van grootte valt als slaap, eten en drinken. Zonder voedsel, drank en nachtrust, ik moet er inderdaad niet aan denken. En sex? Alleen op basis van gelijkwaardigheid, anders laat maar zitten.
‘Arm schaap’ hoor ik half Nederland denken.

14981612_ml

Gekke Henkie

‘Joost, van harte’, schrijft Henk Krol op Facebook tegen ‘vriend’ Joost Zwagerman voor zijn 52e verjaardag. Terwijl de schrijver door eigen toedoen maar 51 jaar werd. Krol snapt de ophef niet, noemt het hooguit een ‘triest foutje.’ Nou is de voormalige eigenaar van de Gaykrant wel vaker vergeetachtig, zeker als het om de afdracht van pensionpremies gaat, maar het trieste is meer van toepassing op zijn figuur. Die zogenaamde betrokkenheid is namelijk niet van vandaag. Zelfingekomen en mediageil, beetje type Ivo Niehe, met één groot verschil. Niehe kan meer dan presenteren en zichzelf verheerlijken.
Hij spreekt vloeiend zes talen, schrijft theatervoorstellingen, componeert, speelt niet onverdienstelijk piano en zat met alle groten van deze aarde om tafel. Een indrukwekkend cv, waar ik Krol niet op kan betrappen. De nicht is de vleesgeworden mindfuck van deze tijd. Op Sabia Engizek Boulahrouz Van de Vaart na dan. De ideale zoon, het gespeelde charisma, de zogenaamde betrokkenheid met leeftijdsgenoten. Onbegrijpelijk dat zoveel vijftigplussers deze man, die de hele kluit stelselmatig oplichtte, een kans gaven in de politiek. Toch een raar fenomeen dat Nederlanders daders omarmen en niet de slachtoffers en klokkenluiders. Badr Hari is een held, Koen Everink een zeurpiet. Zelfs topcrimineel Willem Holleeder schopte het tot knuffelbeer. Dat je vrouw en kinderen verrot slaat, zien we voor het gemak maar even door de vingers. Als je toch niet rechtstreeks geraakt wordt, sluit je gewoon je ogen. Dat begint al met het leed in je eigen achtertuin.
Wie durft wie nog ergens op aan te spreken? Hoe diep kunnen mensen zinken? Heel ver, weten we na afgelopen vrijdag in Parijs.
Die ‘Het was zo’n vriendelijke jongen’ schoot tientallen onschuldige mensen de dood in.
Begin klein. Heb respect. Praat, spreek mensen aan. Oprecht. Dus niet op Facebook of per app, maar recht in het gezicht. Ik probeer het.
Maar eerlijk is eerlijk: ik lijk soms gekke Henkie wel.

Over lijken

Mijn zus droomde als klein meisje van een poppenwagen. Ze kreeg er nooit één. Zelf noemt ze het haar grootste jeugdtrauma, maar blijvende schade hield ze er niet aan over. Haar dochter zou de mooiste poppenwagen ooit krijgen, dat dan weer wel. Helaas, ze kreeg twee jongens.

Mijn jeugd verliep rimpelloos – in poppen was ik niet geïnteresseerd – op een enkele teleurstelling na. De grootste dateert uit december 1975. Voor de eerste keer lootjes trekken met Sinterklaas op de basisschool, ik had er veel werk van gemaakt. Vol verwachting klopte mijn hart. Eén voor één werden de mooiste suprises uitgepakt tot er één pakje overbleef. Gewoon ingepakt, plat, A4-formaat, er stond geen naam op, maar het was duidelijk: die kon maar voor één persoon zijn. Woede en teleurstelling vochten om voorrang toen ik het openmaakte, er zat een jongensstripboek in. De aap en afzender kwamen snel uit de mouw. Met een lachend gezicht meldde Menno zich. Of ik wilde ruilen. Ik weet niet wat hij had gekregen, ik hield m’n rug recht. Dan maar het stripboek mee naar huis en bij het oud papier.
Veel last heb ik er niet van gehad. Wel drukte ik later mijn dochters rond Sinterklaastijd op het hart aandacht te besteden aan hun surprise, maar aan Menno dacht ik niet meer. Tot twee weken geleden. In Doesburg raakte ik tijdens het enquêteren van inwoners over sociale veiligheid in gesprek met iemand die verdacht veel leek op zijn broer. En ja hoor, hij was het. ‘Weet je wat er van Menno is geworden?’ vroeg hij. Ik moest het antwoord schuldig blijven. ‘Hij is multimiljonair.’ De jongen van mijn stripverhaal bleek een keiharde businessman te zijn geworden. ‘Hij gaat over lijken, zelfs mij, zijn bloedeigen broertje, zal hij ombrengen als hij er beter van kan worden. Google maar eens, dan zul je het zien.’ Ik heb het niet gedaan, ik geloofde hem meteen. Het zat er vroeg in. Ik wist in 1975 al dat Menno over lijken ging.

Spel(l)ing van het lot

Spellingfouten. Het gebeurd… Ik heb er een broertje dood aan. Niet raar voor iemand die als tekstschrijver en webredacteur door het leven gaat. Toch moet ook ik af en toe woorden in het Groene Boekje opzoeken. Omdat logica ontbreekt. Logica met een c ja en niet met een k. De gemakkelijkste spelling is een spelling die houvast biedt. Bijvoorbeeld doordat die fonetisch is, en dicht bij de uitspraak blijft. Afschaffen die c dus, behalve in de combinatie sch. Maar nee hoor, het blijft product. Produkt kan niet. Een fonetische schrijfwijze gebeurt wel met veel woorden die uit Engeland zijn komen overwaaien. In Engeland ‘toast ‘ je op iemand of een gebeurtenis. In Nederlands is het toosten. Ik wist het niet, ik heb in de afgelopen jaren altijd het woord toasten gebruikt in commerciële en journalistieke producties als het om proosten ging. Niet één keer, maar welgeteld zes keer. Dat kon vroeger, maar na de zoveelste spellinghervorming niet meer: toasten betekent in het Nederlands alleen nog brood roosteren.
Geen eindredacteur die er naar kraaide.
Zo ook in de uitnodigingstekst die ik deze week schreef voor een opdrachtgever in verband met de feestelijke opening van zijn nieuwe pand. Een klant van hem vond het om te gillen. Toevallig ook iemand voor wie teksten schrijven dagelijkse kost is. Maar net als ik zonder het Groene Boekje struikelt over het aaneenschrijven van woorden of het los van elkaar schrijven, om streepjes tussen twee-eiig, om tekort schieten of tekortschieten. Mijn opdrachtgever was not amused. Of is het not amjuust? Formeel heeft hij helemaal gelijk. Het kan niet. Het moet toosten zijn. Maar waarom blijft Xbox dan wel bestaan en wordt het geen Iksboks? Is dat de spel(l)ing van het lot? En waarom kun je een akkoord gewoon accorderen, bestaat akkefietje naast akkevietje en doodsstrijd naast doodstrijd? Geef mijn portie maar aan Fikkie. Of Vikkie misschien. De officiële spelling biedt veel vrijheid als het gaat om de schrijfwijze van de tussenklanken ‘e’, ‘en’ en ‘s’. In een land waarin kinderen geen Kayleigh meer heten, maar Cayly en ‘Maik’ meer gemeengoed is geworden dan ‘Mike’, kunnen toosten en toasten toch gewoon hetzelfde betekenen en naast elkaar bestaan?
Voor mijn opdrachtgever weet ik voor 12 december wel een oplossing: champagne met een klein stukje geroosterd brood. Een toost met een toast. Proost! Op zijn nieuwe kantoor!

Eigen risico

Drie doden na Dance Event. Eigen schuld, dikke bult. Wie bij volle verstand XCT-tabletten in zijn mik gooit om een nachtje door te kunnen doorhalen, neemt bewust een risico. De buitenkant en de blauwe ogen zeggen niets over de binnenkant. Het gevaar van te veel MDMA ligt altijd op de loer.
Het zal je kind maar wezen. Waarom nemen mensen levensbedreigende risico’s? Natuurlijk, hoe goed we het ook met ons zelf voor hebben, iedereen loopt in het dagelijks leven risico. Op de fiets, lopend of in de auto, het kan zomaar in een split second zijn gebeurd. Maar iemand die uit een vliegtuig springt, hangend aan een paar touwen en een lap stof, verzoekt de goden meer dan iemand die met beide benen op de grond blijft staan.
Of neem een expeditie naar de top van de Cho Oyu (8.201 meter). Voor de één een uitdaging, voor de andere 99 waanzin. Aan jou de vrijwillige keuze.
Dan zijn er nog de risico’s die vanwege de ver-van-mijn-bed-show niet als zodanig worden ervaren. Ebola? Dat is iets uit Afrika. Een aardbeving? Dat is iets voor Groningers. Een overstroming? Zo’n vaart zal het niet lopen. Jaren geleden maakte ik een verslag van de oefening ‘Natte voeten’ in de gemeente Lansingerland. Wie doet wat met wie als een overstroming dreigt? Op papier stond het water ons tot aan de lippen, in de praktijk zaten we hoog en droog. Het leek wel een aflevering van ‘Goede Tijden, Slechte Tijden’.
Zelf doe ik geen hele gekke dingen. Bungeejumpen, parachutespringen, scheurende monstertrucks bekijken, in een achtbaan kruipen, het is allemaal niet aan mij besteed. Toch zit een ongeluk in een klein hoekje, besefte ik gisteren. Ik bracht mijn jongste dochter even snel in de auto naar het station.
In de ochtendjas, m’n Texel-pantoffels aan de voeten, meer niet. Binnen tien minuten was ik weer thuis en kon mijn dag echt beginnen. Maar stel dat het anders was gelopen? Motorpech, een stuurfout van een andere automobilist. Dan sta je er in je schaarse tenuetje toch mooi op aan de kant van de weg. Ik deelde dit doemscenario met mijn dochter toen ik ze ‘s middags weer ophaalde. Ze had wijselijk haar mond gehouden over mijn outfit van die morgen, zo blij was ze dat ze niet hoefde te fietsen. Maar haar gezichtsuitdrukking sprak boekdelen. In gedachten had ze al een kaarsje opgestoken. Voortaan trek ik op z’n minst een joggingpak aan. Je weet maar nooit. Hoe het ook zij. Het eigen risico in de zorg neemt in 2015 wél weer toe.
Vijftien euro om precies te zijn. Daar zijn we in ieder geval met zijn allen van verzekerd.

De naakte waarheid

Het is vandaag no make-up day. Op initiatief van de brandwondenstichting om zo te laten zien dat echte schoonheid van binnen zit. Voor mij een fluitje van een cent.
Ik klieder mijn gezicht nooit vol. Twee keer ging ik overstag. Eén keer op mijn huwelijksdag. Zonder resultaat, die verbintenis draaide uit op een fiasco, de tweede recent in Renkum. Daar kreeg ik samen met tien andere dames kleuradvies en persoonlijke make-up tips. Als toetje op de slagroom mocht iedereen zichzelf opmaken. Vanwege mijn totale gebrek aan ervaring, minder verfijnde motoriek en overhangende oogleden een onmogelijkheid. Gelukkig hielp de vrouw des huizes mij een handje en ik moet toegeven, je zag het verschil. De feestvreugde was van korte duur, bij thuiskomst rolden mijn dochters van de bank van het lachen. Niet echt een motivatie om er in het vervolg meer werk van te maken. Dat hoeft ook niet. Als ik sommige mensen mag geloven zit echte schoonheid gewoon van binnen. Voor een puber gelul natuurlijk. Lou Snoek is één van de meest ernstig verbrande jongeren tijdens de Nieuwjaarsbrand in Het Hemeltje in Volendam. Toen hem voor de camera werd gevraagd of er nog een relatie voor hem inzat – lotgenoten genoeg in zijn omgeving – verwoordde hij het treffend. ,,Nou, ik wil ook gewoon een lekker wijf, ” sprak hij de naakte waarheid. De net zo gehavende Marga Smit vroeg het zich openlijk af. ,,Ben ik nog wel interessant voor jongens?” Dat antwoord luidde ‘ja’, want ze kreeg verkering en trouwde. Hoe je er ook uitziet, blank, zwart, met flaporen, cup D of zonder na een borstamputatie, met gave huid, een sinaasappelhuid, psioriasis of brandwonden. Daar gaat het niet om, wie een ander niet accepteert zoals hij is, is reddeloos verloren. Rene Tol, ook Volendam-slachtoffer omschreef het als volgt: ,,Hoe ik eruit zie, heeft me nog nooit tegengehouden. Het hoort bij mij; ik ben zo.”
Vier jaar geleden kreeg ik van een arts het advies om vanwege kraakbeenproblemen meer te gaan fietsen in plaats van te wandelen. Die boodschap sloeg in als een bom. Niet bij mij, maar bij mijn partner. Zijn hele toekomst viel in duigen. Hij zei het echt: ,,Nu kan ik geen lange wandelingen meer met je maken.” Eerlijk gezegd was ik dat sowieso niet van plan. Zelfs niet met dezelfde trainingspakken aan.
Een jaar later was ik gescheiden. De naakte waarheid is soms keihard, maar werkt wel verhelderend en louterend. Morgen zit ik weer op de spinningfiets in de sportschool. Lekker knallen zonder make-up. Maar eerst even een paar euro overmaken aan de brandwondenstichting. Voor mijn selfie zie mijn profielfoto. Ik kan er niets anders van maken.

IJskoude kermis

Het is hartje zomer. De zon staat hoog aan de hemel. De Chardonnay maakt loom, de barbecue doet zijn werk, ik inhaleer de geur van geroosterd vlees.
Het waterskieën heeft me hongerig gemaakt, ik heb trek, ik geniet. Nog mooier: Rene die naast me zit, geniet. Dan opeens is het er: een wanhopige kreet, een dierlijk geluid dat door merg en been gaat. Het is Rene, ik zie een wesp op zijn lip, maar Rene kan niet bewegen en praten, Rene heeft ALS, voluit Amyotrofische Laterale Sclerose. Als de wesp hem in zijn mond steekt overlijdt hij. Dat besef maakt hem doodsbang. Zelfs met zijn weinig florissante levensvooruitzichten. De mooie man van weleer kan niets zelf, ook ademen niet. Schrijven wel ja, met zijn ogen bedient hij een toetsenbord. Maar verder? Niets. Ik zie zijn dunne benen, ze lijken geplastificeerd net als zijn gezicht. Zijn geest zit gevangen in zijn lijf, zijn lichaam is in handen van een rolstoel en zijn vrouw, familie en andere hulpverleners. Ja, hij kan net als ik zichtbaar genieten van het moment, dankbaar als hij is omdat ik hem en zijn gezin geholpen heb met het snoeien in zijn tuin. Als dank mag ik een dagje mee met zijn familie het water op. Ik schrik, ik zie de wanhoop en in een reflex verjaag ik de wesp. Ik kan m’n tranen nog net binnen houden, op de terugweg breek ik. Vijf maanden later, vijf jaar na de diagnose van de slopende ziekte, sterft hij alsnog. Het verhaal van Rene staat niet op zich. Nederland telt 1.500 ALS-patiënten. Jaarlijks komen er 500 bij en overlijdt eenzelfde aantal. Dankzij de Ice Bucket Challenge is er in een maand tijd 51.000 keer gedoneerd aan de Stichting ALS voor in totaal ruim een miljoen euro. Al die filmpjes op facebook van mensen die een emmer ijswater over zich heen (laten) gooien, je wordt er mee doodgegooid. Maar ALS staat nu wél op de kaart. Elke cent meer betekent weer een stap dichter bij de oplossing van deze tot nu toe gruwelijke ongeneeslijke spier- en zenuwziekte.
Toch doe ik niet mee aan de ijsemmer uitdaging.
Ik kwam twintig jaar geleden al van een ijskoude kermis thuis.